Over Ministerie OWT&C

 

 

Oprichting van het Bouwdepartement

In de eerste helft van de negentiende eeuw was een stadsarchitect of stadsbouwmeester verantwoordelijk voor de gebouwen van de civiele dienst en voor de werken van de waterstaatkundige aard. Verder bestond er een departement van genie die zorg droeg voor de militaire gebouwen en forten, onder leiding van een officier. In 1855 besloot de toenmalige Gouverneur Charles Pierre Schimpf bij Gouvernements Resolutie van 27 december 1855, No. 1579 beide departementen per 1 januari 1856 te verenigen tot het bouwdepartement[1]. De leiding met de titel “Chef van het Bouwdepartement” werd toegekend aan een civiel ingenieur die rechtsreeks onder de gouverneur viel[2].

De beweegredenen hiertoe zijn geweest[3]:

  1. bezuiniging op bureaupersoneel en de kosten van werken ten voordele van zowel s’ landskas als de publieke werken;
  2. militaire gebouwen konden eveneens door een civiele ingenieur gebouwd en onderhouden worden, terwijl voor de oprichting van nieuwe of te onderhouden bestaande fortificatie-werken, indien nodig de ondersteuning van een deskundige officier ingeroepen kon worden;
  3. men zou door de samenvoeging een magazijn en een atelier kunnen oprichten, welke ook besparend zou werken.

Alle werkzaamheden moesten door de medewerkers van het departement zelf worden uitgevoerd. Slechts bij grote uitzondering kon werk worden uitbesteed en moest er indien dit wel gebeurde een bestek worden geschreven, dat vervolgens werd aanbesteed. De instructie van de chef van het bouwdepartement luidde ondermeer als volgt[4]:

  1. Dat alle landsgenoten met meubilair en werktuigen, de militaire versterkingen met bruggen en wegen, de voer- en vaartuigen, evenals alle waterwerken, zoals kaden, bruggen, sluizen, duikers staan onder het beheer en onder het toezicht van de Chef van het Bouwdepartement;
  2. Dat de Chef van het Bouwdepartement verplicht is om met de hem ten dienste staande middelen hulp te verlenen, wanneer die gevraagd werd door inrichtingen of etablissementen van het land;
  3. Dat de Chef van het Bouwdepartement verplicht is ‘alle zodanige voorstellen te doen, welke strekken kunnen tot besparing van ’s-Lands gelden zonder nadeel van de belangen van zijn onderhebbend departement’;
  4. Dat hij van het hem toegevoegd opzicht voerend personeel zodanig gebruik mag maken als hij in het belang van de dienst nodig acht;
  5. Dat hij voor controlewerkzaamheden van hem of van zijn personeel buiten Paramaribo aanvraag moet doen bij de gouverneur;
  6. Dat hij ervoor zorg moet dragen dat de toegestane begroting niet wordt overschreden;
  7. Dat hij op het daarvoor bepaalde tijdstip bij de gouverneur de begroting voor het Bouwdepartement moet indienen;
  8. Dat hij voor de uitgaven groter dan ƒ 25, - voorafgaande machtiging van de gouverneur nodig heeft; Voor kleinere uitgaven wordt de goedkeuring naderhand verleend op een driemaandelijkse verzamelstaat;
  9. Dat als regel geldt dat alle te verrichten werkzaamheden op een bestek gebracht moeten worden.

Departement van Openbare Werken en Verkeer

Het Bouwdepartement heeft tot en met 1912 onder de naam “Bouwdepartement” en de voornoemde vorm heeft geopereerd. In 1911 bezocht de commissie Bos Suriname i.v.m. een onderzoek naar de economische en financiële situatie van Suriname ter verbetering van de economische financiële toestand in de kolonie. Deze commissie stelde voor om het Bouwdepartement met de Koloniale Vaartuigen en de Koloniale Spoorwegen en Koloniale Vaartuigen samen te voegen, omdat deze drie departementen niet zo omvangrijk waren waardoor ze door één hoofd konden worden geleid[5]. Zodoende werd op 31 mei 1912 het departement van Openbare Werken en Verkeer in het leven geroepen, waarin alle taken van de drie eerder genoemde departementen overgingen. De titel van de leiding veranderde van ‘Chef van het Bouwdepartement naar “Directeur van het Departement van Openbare Werken en Verkeer’. In 1920 vond er een tijdelijke opsplitsing plaats in een departement Openbare Werken en een departement Verkeer te Water. Dit werd echter in 1923 ongedaan gemaakt en de organisatie bleef tot na 1945 met kleine wijzigingen[6].

Het nieuw departement bestond volgens Ehrenburg & Meyer (2015) uit de volgende afdelingen:

  1. Centraal Bureau;
  2. Onderafdeling Openbare Werken, belast met bouw, aanleg en onderhoud van landsgebouwen, wegen en waterstaatswerken;
  3. Onderafdeling Verkeer te Water, de voortzetting van Koloniale Vaartuigen, inclusief het Haven- en Loodswezen;
  4. Onderafdeling Verkeer te Land, de voortzetting van Koloniale Spoorwegen;
  5. Onderafdeling Telefoonwezen, die eerder onder militair beheer stond en sinds 1907 onder Koloniale Spoorwegen viel.

In 1967 werd het nodig geacht om voor een betere functionering van het departement twee directeuren met elk een zelfstandig directoraat onder zich, aan te stellen waarbij de naam van het Departement tijdelijk werd veranderd in Bouwwerken, Verkeer en Waterstraat[7].

Enkele door het departement uitgevoerde werkzaamheden in de periode 1958-1962 is in onderstaande tabel te zien

Tabel 1. Uitgevoerde projecten van het departement Bouwwerken, Verkeer en Waterstraat in de periode 1958-1962.

Projecten

Bouw en reparatie van scholen en kantoren in stad en district

Aanleg van vliegvelden in het binnenland

Aanleg en verbetering van wegen

Uitbreiding van de districtselectrificatie

Uitbreiding van Zanderij

Slopen van de spoorbaan tussen Paramaribo en Onverwacht

Bouw van de Melkcentrale

Modernisering van het steenbedrijf Phedra

Her graven van de Saramaccadoorsteek

Uitbreiding van de straatverlichting in Paramaribo

Verbetering van de telefoonverbindingen

Voortgang van de aanleg van de Oost-West verbinding

Diverse verkavelingsprojecten werden geëntameerd, enz.

Bron: eigen

De taakstelling van het departement heeft door de jaren heen een zodanige groei doorgemaakt welke geresulteerd heeft in een aanpassing van haar taakstelling waardoor tevens nieuwe structuren in het leven zijn geroepen. Zo was de veranderde taakomschrijving van het Departement volgens Loor (1986) bij gewijzigd landbesluit van 15 januari 1971 als volgt:

  • De oprichting, het onderhoud en het beheer van landsgebouwen;
  • De uitvoering en het onderhoud van primaire weg- en waterbouwkundige werken;
  • Het toezicht op het loodswezen, de betonning en bebakening en de hydrografie;
  • De zorg voor de technische voorzieningen met betrekking tot het weg-, water-, en luchtverkeer;
  • Het toezicht op het haven beheer;
  • De zorg voor het telefoon-, telegraaf- en radiowezen;
  • Het beheer en de exploitatie van landsbussen en landsspoor;
  • de zorg voor de stadsontwikkeling en sanering;
  • het toezicht op de naleving van de bouwvoorschriften;
  • de zorg voor de meteorologie;
  • alle direct of indirect met bovengenoemde aangelegenheden in verband staande onderwerpen, voor zover niet bijzonderlijk aan een ander departement opgedragen.

Huisvesting

Het ministerie was vanaf haar instelling tot het jaar 1974 gevestigd aan de Kleine Waterstraat. In dat jaar verhuisden de ambtenaren (inclusief de Minister) als gevolg van een brand naar het gebouw op de hoek van de Waterkant en de Mr. Dr. J.C. de Mirandastraat. Met de in gebruik name van het nieuwe, huidige gebouw aan de Mr. J. Lachmonstraat no 167 in 1982, werd een historische mijlpaal bereikt[8].

 

[1] 130 jaar Openbare Werken Telecommunicatie en Bouwnijverheid 1856-1986 

[2] Bouwen aan de wilde kust: Geschiedenis van de civiele infrastructuur van Suriname tot 1945 

[3] 130 jaar Openbare Werken Telecommunicatie en Bouwnijverheid 1856-1986 

[4] Bouwen aan de wilde kust: Geschiedenis van de civiele infrastructuur van Suriname tot 1945 

[5]Bouwen aan de wilde kust: Geschiedenis van de civiele infrastructuur van Suriname tot 1945 

[6] Bouwen aan de wilde kust: Geschiedenis van de civiele infrastructuur van Suriname tot 1945 

[7] Bouwen aan de wilde kust: Geschiedenis van de civiele infrastructuur van Suriname tot 1945 

[8] http://www.gov.sr/ministerie-van-openbare-werken/over-